Library‎ > ‎

Book reviews

Buma, A. A. Scheepstra and R. Bintanja, 2016. Door de kou bevangen.

Geplaatst 15 jun. 2016 06:06 door Historie van de Oceanografie Club   [ 15 jun. 2016 06:15 bijgewerkt ]

This new book – ‘Fascinated by the cold : Fifty years of Dutch research in polar regions’ - was introduced during a symposium on March 8, 2016 at the Royal Netherlands Academy of Sciences with a series of lectures, highlighting many scientific results. Exactly 35 years before that date my first cruise to the Southern Ocean ended. And I too was “fascinated by the cold”, and determined to return. This meant campaigning. Four years later, early 1985, a pilot project on Antarctic research started, involving – most importantly – jobs for four young scientists. These persons, supplemented with co-workers, are among the authors of the present book. Arctic research started earlier – hence the 50 years - and proceeded along quite different roads.
With great pleasure and admiration, I read the 235 pages, enjoyed the multitude of pictures. What a diversity of research subjects! Indeed a new Dutch branch established itself among the others about understanding our globe. The book is written in a pleasant style, also understandable by non-scientists and does not avoid adventures. It should find its way to the many readers interested in remote (polar) areas.
I wonder, however, why the book was written in Dutch, without summaries in English. It deserves a much wider audience.
With respect to the naming of the (Dutch) polar facilities in Antarctica: It is my firm opinion that Dirck Gerritsz Pomp did not see any part of the Antarctic continent or islands, in agreement with the conclusion by J.W. IJzerman in 1915.

Johan van Bennekom (bennekom@kwarteel.nl)

Buma, A., A. Scheepstra and R. Bintanja, 2016. Door de kou bevangen. Vijftig jaar Nederlands onderzoek in de poolgebieden. MaRiSuDa, Lelystad, pp.235 (ISBN 978-90-818264-2-6), 235 pp.

Dekker, K. en F. van Essen, 2014. De Nederlandse Poolexpeditie van 1882-1883. Overwintering op een IJsschots

Geplaatst 18 nov. 2014 03:17 door Historie van de Oceanografie Club   [ 18 nov. 2014 03:51 bijgewerkt ]

Dekker, K. en F. van Essen, 2014. De Nederlandse Poolexpeditie van 1882-1883. Overwintering op een IJsschots. KNNV Uitgeverij, Zeist. 199 pp.

Van de zomer 1882 tot de herfst 1883 vond het (eerste) Internationale Pooljaar plaats, een poging om door een gecoördineerde aanpak een aantal problemen rond de geofysica van het poolgebied op te lossen. Het ging daarbij vooral om de meteorologie en het aardmagnetisme, maar ook oceanografie kreeg daarbij een plaats. Nederland nam daarin deel (zij het na lange aarzeling van de overheid), met als doel een overwinteringsbasis aan de mond van de Jenissei rivier. Expeditieleider was Maurits Snellen, directeur van het KNMI. Tijdens de vaartocht daarheen raakte het expeditieschip, de Varna , vast in het ijs van de Kara Zee, zodat uiteindelijk het waarnemingsprogramma, zo goed en kwaad als het ging, vanaf een ijsschots moest worden verricht.

In dit boek worden de lotgevallen van deze onderneming in een zestal hoofdstuk­ken verteld, met daartussen korte besprekingen van bijzonderheden rond de opzet en uitvoering van het pooljaar en van de Nederlandse bijdrage, en gegevens over de deelnemers. Vooral de beschrijving van problemen nadat de Varna vastraakt, en uiteindelijk onder de ijsdruk vergaat, en van de bewonderenswaardige  manier waarop de problemen werden opgelost zijn interessante lectuur, evenals die van de terugtocht met sloepen en sleden naar de bewoonde wereld (in het Opperlands bekend als “Snellens Poolloop”).

Het is zeker een goede zaak dat met deze onderneming deze gebeurtenissen voor een breder publiek toegankelijk zijn gemaakt.

Leo Otto

Lutjeharms, Johann R.E. - Origin of the name Agulhas

Geplaatst 19 feb. 2011 06:06 door Historie van de Oceanografie Club   [ 2 nov. 2011 02:24 bijgewerkt ]

Lutjeharms, J.R.E., 2006. The Agulhas Current. Springer-Verlag, Heidelberg, xiii + 329 pp.

As with so many place names that have an ancient derivation, there is uncertainty about the exact origin of the name Agulhas Current. Bartholomew Dias, the first European explorer to round the Cape of Good Hope, gave up his attempt to reach India at the Great Fish River on the south-eastern coast of South Africa and shortly after reached the southern tip of Africa for the first time, on his return journey. This probably occurred on 16 May 1488, the name-day of the Irish monk, St Brendan, since he called this promontory Ponto de S. Brandão. He was unaware that this was the southernmost tip of Africa. This name for the southernmost cape of the African continent soon fell into disuse although it was employed to denote the present Quoin Point for some time. A map of 1502 by Alberto Cantino, summarising the early Portuguese cartography of the region, shows a Golfo das Agulhas (Bay of Needles) directly to the east of the cape currently called Cape Agulhas, and cartographers subsequently started using variations on the name Cape Agulhas with increasing frequency. So, for instance, Hen Hondio in 1631 designated this headland as C. d’ Angulas, I. Covens and C. Mortier (1660–1730) as Cap des  Aiguilles, Gerardo and Leonardo Valk (1650–1720) as C. das Agulhas and D’Anville in 1763 as Kaap des Aiguilles.

Two possible origins for the concept “needles” have been put forward: one, the resemblance of the jagged reefs opposite the cape; two, the observation that the needles of compasses showed no magnetic declination at this point, i.e. magnetic north and true north were identical at this time. The latter origin is more likely, since, for example, authors such as Jan Huijgens van Linschoten in his book Itinerario (1595) have called this cape the Cape of Compasses or Needles of the Compass. Particulary notable in this regard is the inscription on a map of Mathia Hasio (probably redrawn from one by Batiste Homan) of about 1750 describing the cape as Prom. Acicularum ` c declinatione magnet carentium (Cape Needle, i.e. without magnetic declination). The Agulhas Bank, Agulhas Current and the Agulhas Plateau all take their names from the cape. Cartographers I. Covens and C. Mortier (1660–1730) have called the continental shelf south of Africa Banc du Cap; by 1746 M. Belin designated it as Banc des Equilles. When the name of the cape was first transferred to the current is not entirely clear. Kerhallet (1852) has still indicated a Courant de Cap, while Zimmermann (1865) has shown a Cap Lagullass Strömung, suggesting the gradual equating of the name of the cape and the current. Rennell in his 1778 map has indicated the Bank of Lagullas, but has not named the current; but fifty years later (1832) he clearly denoted it Lagullas Current, as did Maury in 1855. By 1866 Findlay called it, unequivocally, Agulhas Current, as did Krümmel (1882). Krümmel (1911, p. 672) has in fact stated that south of 30° S latitude the current along the south-eastern coast of Africa is to be called the Agulhas Current, and so it has remained since.

Reidy, Michael S. - Tides of History

Geplaatst 19 feb. 2011 05:52 door Historie van de Oceanografie Club   [ 18 nov. 2014 03:07 bijgewerkt ]

Michael S. Reidy, Tides of History. Ocean science and Her Majesty’s Navy (The University of Chicago Press, Chicago, 2008), 389 pp. ISBN 978-0-226-70932-1. US$ 40.


De rol van de Britse Royal Navy bij de opkomst van het wetenschappelijk zeeonderzoek in de 19e eeuw is ontegenzeggelijk van groot belang geweest: namen als de Beagle en de
Challenger zijn daarvan het bewijs. En een gedetailleerde studie van die rol is zeker van belang. Echter, hoewel de ondertitel van “Tides of History” zoiets zou doen verwachten, geeft Michael Reidy (assistant professor of history and philosophy aan de Montana State University), met dit boek niet zo’n studie. Het blijkt een aangepaste versie van zijn dissertatie “The Flux and Reflux of Science: The study of the Tides and the Organization of Early Victorian Science” uit 2000 aan de University of Minnesota. En het gaat dan ook in hoofdzaak over het Britse getijonderzoek uit de dertiger en veertiger jaren van de 19e eeuw. Het accent op de rol van de “Royal Navy” is er later aan toegevoegd, voornamelijk in een Introduction en een Conclusion. Dat geeft het boek iets onevenwichtigs, en een bespreking ervan moet daarom uiteenvallen in de bespreking van die twee elementen.

Om te beginnen dus de Britse rol, en meer in het bijzonder die van de marine, in het zeeonderzoek. De schrijver wijst in zijn inleiding, “The Littoral in Science and History” op het belang van de kustzone bij de economische ontwikkeling van Engeland na de Napoleontische oorlogen, en op het belang van een betere kennis van de getijden voor de toenemende scheepvaart in het groeiende “Empire”. Getijtafels uit die tijd werden gepubliceerd in almanakken van uitgevers die zich daarbij baseerden op van vader op zoon doorgegeven geheim gehouden rekenschema’s. Dat die tafels tekort schoten bleek meer en meer. En dat was de reden voor onderzoekers als William Whewell (1794-1866) en John William Lubbock (1803-1865) zich op dit probleem te richten. In het verloop van het onderzoek kregen zij actieve steun van admiraal Francis Beaufort (1774-1857) van het Hydrographic Office, en via hem van de Admiralty. Dat ziet Reidy als het begin van een toenemende betrokkenheid van de Royal Navy met het zeeonderzoek. In zijn afsluitend hoofdstuk van 23 bladzijden: “The Tides of the Empire” borduurt hij daarop voort, en stelt hij dat ook op andere terreinen dan het getijonderzoek de marine als drager van de Britse wereldmacht vaker de wetenschap inschakelde bij de studie van de oceanen. Echter in zo’n kort bestek komt hij niet verder dan een algemene beschouwing.

Vervolgens dan Reidy’s studie van het getijonderzoek. Dat draagt nog de kenmerken van de dissertatie. Er is een overvloed aan details die niet veel lezers zullen interesseren. In zes hoofdstukken beschrijft hij hoe vooral Lubbock en Whewell het getijonderzoek opnamen. Newton had de theoretische basis gelegd voor het begrijpen van invloed van maan en zon. Maar daarmee leek alles gezegd, en voor de praktijk van de getijverwachting kwam men daar niet veel mee verder. Het was Frankrijk dat op dit terrein de leiding nam. Maar ook het theoretisch werk van Laplace (1749-1827) leek voor de praktijk weinig uit te maken.

De stichting in 1826 van de “Society for the Diffusion of Useful Knowledge” bracht daarin verandering. De door de stichting uitgegeven British Almanac bevatte een getijtafel voor  Londen, nog gebaseerd op de oude methode van de privé almanakken, en dus nog van  onvoldoende kwaliteit. Beaufort (toen nog Captain) adviseerde een meer wetenschappelijke aanpak, en dat bracht eerst Lubbock en daarna Whewell in beeld.

Over de methode van analyse van Lubbock voor een lange reeks waarnemingen, eerst van London Docks en later ook van andere plaatsen, geeft Reidy weinig bijzonderheden. Een methode overigens die tot in de vorige eeuw werd gehanteerd naast de fysisch bevredigender harmonische analyse. De schrijver gaat het meer over de manier waarop hij zijn werk organiseerde: het verkrijgen van nodige waarnemingen, de hulp van rekenaars, die met dit werk soms maanden bezig waren; en over de financiële problemen om het werk te laten uitvoeren.

Terwijl Lubbock streefde naar een betrouwbare methodiek voor de verschillende havens was Whewell meer geïnteresseerd in het regionale beeld: de manier waarop het getij zich door de zee verplaatste. Vooral de beschrijving van dit onderzoekprogramma is interessant. Op kaarten met “cotidal lines” probeerde Whewell een ruimtelijk beeld te ontwerpen. In dat verband is interessant hoe hij, met medewerking van Beaufort, voor een periode van 14 dagen gelijktijdige getijwaarnemingen organiseerde, eerst in 1834 rond de Britse kust en in 1835 als een internationale onderneming. Niet alleen landen rond de Noordzee, maar ook aan weerszijden van de Atlantische Oceaan namen aan deze laatste onderneming deel. Voor Nederland werd de bijdrage gecoördineerd door de Utrechtse hoogleraar Gerrit Moll (1785-1838). Een resultaat hiervan was de ontdekking van de amphidromie (een soort knooppunt van de rondlopende getijgolf) in de zuidelijke Noordzee. Het is vooral dit gedeelte dat voor de geschiedenis van het zeeonderzoek interessante informatie biedt.

Maar ook voor de wetenschapsgeschiedenis in het algemeen hebben deze hoofdstukken wat te bieden. Whewell is immers bekend door zijn “History of the Inductive Sciences” (1837) en zijn “Philosophy of the Inductive Sciences” (1840), geschreven tijdens zijn getijonderzoek. Reidy behandelt de wisselwerking tussen zijn praktisch onderzoek en de filosofische ideeën zoals die ook tot uiting komen in zijn opvattingen over de plaats van de “scientist” (een term door hem geïntroduceerd) tegenover de waarnemers en de technici.

Tides of History is dus verschillend te beoordelen. Het biedt niet wat de titel suggereert en er zijn gedeeltes die zo in detail gaan dat ze uitnodigen tot diagonaal lezen, terwijl andere een boeiend beeld geven van de Britse wetenschap in de eerste helft van de 19e eeuw. Het is overigens uitgegeven als een boek voor een breed publiek: aantrekkelijk verzorgd met illustraties uit de originele publicaties en andere stukken.

Leo Otto.

Hoheisel-Huxmann, Reinhard - Die deutsche Atlantische Expedition 1925-1927

Geplaatst 19 feb. 2011 05:49 door Historie van de Oceanografie Club   [ 18 nov. 2014 03:08 bijgewerkt ]

Reinhard Hoheisel-Huxmann, Die deutsche Atlantische Expedition 1925-1927. Planung und Verlauf (Bremerhaven/Hamburg, Deutschesschiffahrtmuseum / Convent Verlag, 125 pp. ISBN 978-3-86633-0054. € 14,90.


De Duitse Atlantische expeditie met de opnemer METEOR van de Reichsmarine in de jaren 1925-27 is met zekerheid de meest baanbrekende oceanografische expeditie geweest van
de 20e eeuw. De gehele midden en zuidelijke Atlantische Oceaan werd onderzocht. Het inzicht in de structuur en ‘organisatie’ van dit gedeelte van de wereldzee is voor een
groot deel te danken aan deze expeditie. Een voorbeeld is de verticale circulatie in de diepzee.

Reinhard Hoheisel-Huxmann, een fysisch geograaf verbonden aan het Deutschen Schiffahrtmuseum in Bremerhaven met als arbeidsveld de geschiedenis van het pool- en zeeonderzoek, heeft de Duitse Atlantische Expeditie van 1925-27 gekozen tot onderwerp van zijn boek. De schrijver is hierin buitengewoon goed geslaagd. Door veel eigentijdse citaten toe te voegen is een uitstekend gebalanceerd boek tot stand gekomen. De tijdgeest is goed getroffen. Maar ook het beeldmateriaal geselecteerd uit de onderzoekingsresultaten zijn wel overwogen gekozen. Het is verdienstelijk van de auteur om in een aparte sectie zeer goede afbeeldingen en korte beschrijvingen te geven van alle gebruikte hydrografische instrumenten.

De gevolgde indeling is: de aanleiding tot het onderzoek; de ombouw van het casco van een kanonneerboot tot een schip voor oceanografisch onderzoek; het uiteindelijke onderzoeksprogramma; de proefvaart, en de uiteindelijke expeditie en resultaten van de expeditie. De stijl van schrijven is kort en bondig en zal elke bèta aanspreken. Geen brei van woorden, men kan een vraag stellen en het antwoord is te vinden in het boek.

Door het casco van een niet afgebouwde kanonneerboot, METEOR, op de Kaiserlichen Werft te Dantzig (Gdansk), te bestemmen tot onderzoekingsvaartuig, kon het schip in 1919 worden ontrokken aan de afbraak van de voormalige Kaiserliche Marine. Dit was een voortvloeisel van het verdrag van Versailles. Het casco werd via Kiel naar de Reichswerft in Wilhelmshaven overgebracht. Door geldgebrek en de inflatie duurde het tot 1924 voor het schip in dienst werd gesteld als een ongewapend onderzoekingsvaartuig van de Reichsmarine.

De Duitse marineleiding zag in 1919 de mogelijkheden om via een oceanografische expeditie de vlag te vertonen in het buitenland. Het was belangrijk om het imago van Duitsland te verbeteren. De Deutsche Seewarte (onderdeel van de Duitse marine, thans Bundesamt für Schiffahrt und Hydrografie, Hamburg) kreeg opdracht een expeditie voor te bereiden. Ook het Institut für Meereskunde te Berlijn, in het bijzonder Alfred Merz (1880-1925), werd er bij betrokken. Vele plannen werden gemaakt, een tocht rond de wereld (vlagvertoon!), de Pacific, of de Indische Oceaan, of de Atlantische Oceaan. Steeds was het duidelijk dat geldtekort een rem was op welke ontwikkeling dan ook. In 1924 kwam de Notgemeinschaft der Deutschen Wissenschaft als reddende engel naar voren. Er kwam een nieuw plan en geld. Onderzoek naar de circulatie van de Atlantische Oceaan, tussen 20° Noorderbreedte en de Zuidpool is het thema dat Merz voorstelt.

In september 1924 werd besloten de expeditie in maart 1925 te laten vertrekken. De METEOR kwam op 15 november 1924 in dienst onder bevel van Korvettenkapitän Fritz Spiess (1881-1959). De METEOR kreeg als toevoeging op de oceanografische uitrusting bestaande uit o.a. diepzeelodingsmachines, diepzeeankerinrichting en echolood(!), mogelijkheden om vliegers en ballonnen op te laten met meteorologische meetapparatuur en ook een 8.8 cm luchtdoelkanon. Dit kanon diende als ‘Windschiessgerät’. Hiermee werden rookgranaten omhoog geschoten om kunstmatige wolken te doen ontstaan op van te voren bepaalde hoogten. Zodoende kon de snelheid van de luchtstroom in de verschillende luchtlagen worden gemeten met artillerieafstandmeters. Het was geen succes daar door het vuren de kwikthermometers van de kantelwaterscheppers (Nansen’s) braken.

Op 16 april 1925 voer de METEOR uit de sluizen van Wilhelmshaven. De wetenschappelijke expeditieleider was Merz en de commandant Fregattenkapitän Spiess. In totaal waren er 133 man aan boord. Hiervan behoorden er 118 tot de marine, voorts 9 wetenschappers en 6 man burgerpersoneel. De wetenschappers waren: de oceanografen Alfred Merz, Georg Wüst, Arnold Schumacher en Günther Böhnecke; de meteorologen: Josef Reger en Erich Kuhlbrodt; verder de bioloog Ernst Henschel en de chemicus Hermann Wattenberg. Matrozen werden opgeleid om te assisteren tijdens de onderzoekingen. De marinearts kreeg als aanvullende taak het bemonsterde plankton te onderzoeken.

In totaal werden er 14 dwarsprofielen in de Atlantische Oceaan gevaren, op 310 stations werden systematisch watermonsters genomen op vele diepten. De tocht die op 1½ jaar was geschat liep uit tot 777 dagen; er werden 67 535 zeemijlen afgelegd. Door de profielen zo te bevaren dat het maximale profijt van weer, wind en stroming werd verkregen, lukte het, het door de aangroei steeds langzamer varende schip, steeds weer in een haven te krijgen terwijl de steenkolen vrijwel geheel waren opgebruikt. De voormast van de METEOR was voorzien van een barktuig; dit extra voortstuwingsvermogen kwam goed van pas.

De waarnemingen lieten duidelijk zien dat ook de midden en zuidelijke Atlantische Oceaan geen vlakke bodem heeft. Heuvelruggen en onderwaterbergen (seamounts) werden ontdekt. Ook werden verschillende waterbekkens vastgesteld op grond van lodingen, temperatuurwaarnemingen en zoutgehalte bepalingen.

Tijdens het varen van het eerste profiel werd de expeditieleider Merz zo ernstig ziek, dat besloten werd terug te varen naar Buenos Aires. Spoedig overleed hij daar. De METEOR verliet weer de haven. De expeditie kwam nu onder leiding van Spiess. Vrijwel het volledige programma van Merz en de overige wetenschappers werd uitgevoerd. Wel bleef men 100 dagen langer in zee. Er werd veel van de bemanning gevergd. Voor de marineofficieren was het een hard feit, dat het verblijf aan boord van de METEOR weinig tot niets bijdroeg aan hun carrière.

In 16 delen werden de resultaten van de expeditie tussen 1932-63 gepubliceerd. Voor de METEOR uitvoer waren er 3 000 diepzeelodingen uitgevoerd in de Zuidelijke Atlantische Oceaan, bij thuiskomst op 2 juni 1927 te Wilhelmshaven was dit aantal tot 67 400 gestegen. Spiess kreeg zijn beloning. Hij kreeg een eredoctoraat van de Universiteit Kiel op 11 juli 1927 en in 1929 werd hij Konteradmiral (Schout-bij-nacht). Van 1934-45 was hij het hoofd van de Deutsche Seewarte. De METEOR overleefde de oorlog, maar ontkwam niet de uitlevering aan
Rusland. Het schip kwam in Russische dienst als EKVATOR.

Hoheisel-Huxmann heeft een zeer boeiend en lezenswaardig boek geschreven. De prijs kan voor niemand een belemmering zijn.
 
Bas de Groot

Karssen, G. - Life and work of Dr. Johannes Govertus de Man

Geplaatst 19 feb. 2011 05:03 door Historie van de Oceanografie Club   [ 18 nov. 2014 03:11 bijgewerkt ]

Karssen, G., 2006. Life and work of Dr Johannes Govertus de Man (1850–1930), a Crustacea and Nematoda specialist. Brill, Leiden, pp. 120.



Met CD waarop de Man’s monografie van vrijlevende Nederlandse nematoden, en indexen van Crustacea en Nematoda). Prijs € 81.00. ISBN 978-90-0414-969-4.

Er zijn goede redenen om in ‘ad HOC’ aandacht te besteden aan deze fraai uitgegeven  biografie van een taxonoom. De Man verwierf grote bekendheid als bewerker van de Crustacea Decapoda (krabben en kreeften) van de Siboga expeditie en hij heeft zijn leven lang het Zoölogisch Station (het latere NIOZ) vanaf de oprichting in 1876 financieel gesteund. Daarnaast was hij een pionier op het gebied van nematoden (inclusief de mariene) en een begaafd tekenaar die zijn eigen monografieën voortreffelijk illustreerde (11 platen in dit boek laten dat zien).


J.G. de Man werd geboren in Middelburg waar zijn vader arts en curator bij het Zeeuws genootschap was. De Man Sr. stimuleerde Jan’s biologische belangstelling en liet hem in Leiden studeren waar de jonge hoogleraar in de zoölogie Emil Selenka zowel zijn vriend als supervisor werd. Hij bestudeerde nematoden onder Rudolf Leuckart in Leipzig in 1872 en werd in hetzelfde jaar aangesteld als assistent op de afdeling invertebraten van het Rijksmuseum
voor Natuurlijke Historie (RMNH) te Leiden. Hij promoveerde in 1873 op een vergelijkende studie van spieren en zenuwen bij vertebraten, en werd in 1875 tot curator op het RMNH bevorderd. In 1876 kreeg hij een beurs voor een verblijf op het Stat. Zool. te Napels waar hij echter na zes weken typhus kreeg waarvan hij slechts langzaam herstelde. Toch publiceerde
hij in 1876 zijn studie van de te Napels gevonden vrijlevende mariene nematoden. De zeer verlegen de Man voelde zich ongemakkelijk in een groep mensen, werkte eigenlijk het beste alleen. Met de directeur van het RMNH Schlegel kon hij slecht opschieten. In 1882 krijgt hij
ziekteverlof en keert terug naar het ouderlijk huis in Middelburg. Hier werkte hij sindsdien en schreef er het grootste deel van zijn vele taxonomische publicaties. Hij reisde graag, schreef reisdagboeken waarvan W.S.S. van Benthem Jutting in 1951 gedeelten publiceerde (Biologisch Jaarboek Dodonaea 18: 130-259), toen zij een gedeelte van die reisboeken in het
de Man archief in het Zoologisch Museum in Amsterdam aantrof.

De Man was een hardwerkende taxonoom; aan trouwen is hij nooit toegekomen (een vergelijking met de in 2008 overleden crustaceeën specialist L.B. Holthuis ligt voor de hand). Karssen heeft met grote liefde deze fraai uitgegeven biografie samengesteld.

Gerhard C. Cadée.

Rappé, Guido - De zee van toen

Geplaatst 19 feb. 2011 04:25 door Historie van de Oceanografie Club   [ 18 nov. 2014 03:53 bijgewerkt ]

Guido Rappé. De Zee van Toen. Een historisch-ecologische verkenning van de zuidelijke Noordzee (1930–1980), uit de mond van Vlaamse vissers.
Uitg. provincie West-Vlaanderen, Brugge, 2008. 459 p. geïllustreerd. (geen ISBN nummer gevonden). Prijs: € 20,00. (tekst voor Natura)

Guido Rappé is zeebioloog, actief in de Belgische Strandwerkgroep en telg van een vissersfamilie. Als geen ander dus instaat uit interviews met oude Vlaamse vissers veranderingen in de fauna van de zuidelijke Noordzee tussen 1930 en 1980 te documenteren. Noordzee oesters waren al praktisch verdwenen rond 1930. Zij zagen haaien en roggen sterk achteruitgaan tussen 1930 en 1980 en tonijn en  steur verdwijnen vòòr 1960. De haringvangst piekte nadat in de oorlog niet gevist was, maar stortte in ondermeer dankzij een steeds grotere visserij inspanning. ”Een visser is eigenlijk een echte piraat, rooft altijd en zoveel mogelijk, want hij denkt dat er de volgende reis weer zoveel zullen zitten”, aldus een geïnterviewde. Ook cyclische veranderingen in de watertemperatuur van Atlantische Oceaan en Noordzee spelen een rol. Dit kloek uitgevoerde, fraai geïllustreerde boek is een interessante historisch-ecologische verkenning. Kostelijk om te lezen, mede omdat het Vlaams van de geïnterviewden is gehandhaafd.

Gerhard C. Cadée

1-7 of 7