Library‎ > ‎Book reviews‎ > ‎

Hoheisel-Huxmann, Reinhard - Die deutsche Atlantische Expedition 1925-1927

Geplaatst 19 feb. 2011 05:49 door Historie van de Oceanografie Club   [ 18 nov. 2014 03:08 bijgewerkt ]
Reinhard Hoheisel-Huxmann, Die deutsche Atlantische Expedition 1925-1927. Planung und Verlauf (Bremerhaven/Hamburg, Deutschesschiffahrtmuseum / Convent Verlag, 125 pp. ISBN 978-3-86633-0054. € 14,90.


De Duitse Atlantische expeditie met de opnemer METEOR van de Reichsmarine in de jaren 1925-27 is met zekerheid de meest baanbrekende oceanografische expeditie geweest van
de 20e eeuw. De gehele midden en zuidelijke Atlantische Oceaan werd onderzocht. Het inzicht in de structuur en ‘organisatie’ van dit gedeelte van de wereldzee is voor een
groot deel te danken aan deze expeditie. Een voorbeeld is de verticale circulatie in de diepzee.

Reinhard Hoheisel-Huxmann, een fysisch geograaf verbonden aan het Deutschen Schiffahrtmuseum in Bremerhaven met als arbeidsveld de geschiedenis van het pool- en zeeonderzoek, heeft de Duitse Atlantische Expeditie van 1925-27 gekozen tot onderwerp van zijn boek. De schrijver is hierin buitengewoon goed geslaagd. Door veel eigentijdse citaten toe te voegen is een uitstekend gebalanceerd boek tot stand gekomen. De tijdgeest is goed getroffen. Maar ook het beeldmateriaal geselecteerd uit de onderzoekingsresultaten zijn wel overwogen gekozen. Het is verdienstelijk van de auteur om in een aparte sectie zeer goede afbeeldingen en korte beschrijvingen te geven van alle gebruikte hydrografische instrumenten.

De gevolgde indeling is: de aanleiding tot het onderzoek; de ombouw van het casco van een kanonneerboot tot een schip voor oceanografisch onderzoek; het uiteindelijke onderzoeksprogramma; de proefvaart, en de uiteindelijke expeditie en resultaten van de expeditie. De stijl van schrijven is kort en bondig en zal elke bèta aanspreken. Geen brei van woorden, men kan een vraag stellen en het antwoord is te vinden in het boek.

Door het casco van een niet afgebouwde kanonneerboot, METEOR, op de Kaiserlichen Werft te Dantzig (Gdansk), te bestemmen tot onderzoekingsvaartuig, kon het schip in 1919 worden ontrokken aan de afbraak van de voormalige Kaiserliche Marine. Dit was een voortvloeisel van het verdrag van Versailles. Het casco werd via Kiel naar de Reichswerft in Wilhelmshaven overgebracht. Door geldgebrek en de inflatie duurde het tot 1924 voor het schip in dienst werd gesteld als een ongewapend onderzoekingsvaartuig van de Reichsmarine.

De Duitse marineleiding zag in 1919 de mogelijkheden om via een oceanografische expeditie de vlag te vertonen in het buitenland. Het was belangrijk om het imago van Duitsland te verbeteren. De Deutsche Seewarte (onderdeel van de Duitse marine, thans Bundesamt für Schiffahrt und Hydrografie, Hamburg) kreeg opdracht een expeditie voor te bereiden. Ook het Institut für Meereskunde te Berlijn, in het bijzonder Alfred Merz (1880-1925), werd er bij betrokken. Vele plannen werden gemaakt, een tocht rond de wereld (vlagvertoon!), de Pacific, of de Indische Oceaan, of de Atlantische Oceaan. Steeds was het duidelijk dat geldtekort een rem was op welke ontwikkeling dan ook. In 1924 kwam de Notgemeinschaft der Deutschen Wissenschaft als reddende engel naar voren. Er kwam een nieuw plan en geld. Onderzoek naar de circulatie van de Atlantische Oceaan, tussen 20° Noorderbreedte en de Zuidpool is het thema dat Merz voorstelt.

In september 1924 werd besloten de expeditie in maart 1925 te laten vertrekken. De METEOR kwam op 15 november 1924 in dienst onder bevel van Korvettenkapitän Fritz Spiess (1881-1959). De METEOR kreeg als toevoeging op de oceanografische uitrusting bestaande uit o.a. diepzeelodingsmachines, diepzeeankerinrichting en echolood(!), mogelijkheden om vliegers en ballonnen op te laten met meteorologische meetapparatuur en ook een 8.8 cm luchtdoelkanon. Dit kanon diende als ‘Windschiessgerät’. Hiermee werden rookgranaten omhoog geschoten om kunstmatige wolken te doen ontstaan op van te voren bepaalde hoogten. Zodoende kon de snelheid van de luchtstroom in de verschillende luchtlagen worden gemeten met artillerieafstandmeters. Het was geen succes daar door het vuren de kwikthermometers van de kantelwaterscheppers (Nansen’s) braken.

Op 16 april 1925 voer de METEOR uit de sluizen van Wilhelmshaven. De wetenschappelijke expeditieleider was Merz en de commandant Fregattenkapitän Spiess. In totaal waren er 133 man aan boord. Hiervan behoorden er 118 tot de marine, voorts 9 wetenschappers en 6 man burgerpersoneel. De wetenschappers waren: de oceanografen Alfred Merz, Georg Wüst, Arnold Schumacher en Günther Böhnecke; de meteorologen: Josef Reger en Erich Kuhlbrodt; verder de bioloog Ernst Henschel en de chemicus Hermann Wattenberg. Matrozen werden opgeleid om te assisteren tijdens de onderzoekingen. De marinearts kreeg als aanvullende taak het bemonsterde plankton te onderzoeken.

In totaal werden er 14 dwarsprofielen in de Atlantische Oceaan gevaren, op 310 stations werden systematisch watermonsters genomen op vele diepten. De tocht die op 1½ jaar was geschat liep uit tot 777 dagen; er werden 67 535 zeemijlen afgelegd. Door de profielen zo te bevaren dat het maximale profijt van weer, wind en stroming werd verkregen, lukte het, het door de aangroei steeds langzamer varende schip, steeds weer in een haven te krijgen terwijl de steenkolen vrijwel geheel waren opgebruikt. De voormast van de METEOR was voorzien van een barktuig; dit extra voortstuwingsvermogen kwam goed van pas.

De waarnemingen lieten duidelijk zien dat ook de midden en zuidelijke Atlantische Oceaan geen vlakke bodem heeft. Heuvelruggen en onderwaterbergen (seamounts) werden ontdekt. Ook werden verschillende waterbekkens vastgesteld op grond van lodingen, temperatuurwaarnemingen en zoutgehalte bepalingen.

Tijdens het varen van het eerste profiel werd de expeditieleider Merz zo ernstig ziek, dat besloten werd terug te varen naar Buenos Aires. Spoedig overleed hij daar. De METEOR verliet weer de haven. De expeditie kwam nu onder leiding van Spiess. Vrijwel het volledige programma van Merz en de overige wetenschappers werd uitgevoerd. Wel bleef men 100 dagen langer in zee. Er werd veel van de bemanning gevergd. Voor de marineofficieren was het een hard feit, dat het verblijf aan boord van de METEOR weinig tot niets bijdroeg aan hun carrière.

In 16 delen werden de resultaten van de expeditie tussen 1932-63 gepubliceerd. Voor de METEOR uitvoer waren er 3 000 diepzeelodingen uitgevoerd in de Zuidelijke Atlantische Oceaan, bij thuiskomst op 2 juni 1927 te Wilhelmshaven was dit aantal tot 67 400 gestegen. Spiess kreeg zijn beloning. Hij kreeg een eredoctoraat van de Universiteit Kiel op 11 juli 1927 en in 1929 werd hij Konteradmiral (Schout-bij-nacht). Van 1934-45 was hij het hoofd van de Deutsche Seewarte. De METEOR overleefde de oorlog, maar ontkwam niet de uitlevering aan
Rusland. Het schip kwam in Russische dienst als EKVATOR.

Hoheisel-Huxmann heeft een zeer boeiend en lezenswaardig boek geschreven. De prijs kan voor niemand een belemmering zijn.
 
Bas de Groot
Comments