Library‎ > ‎Book reviews‎ > ‎

Reidy, Michael S. - Tides of History

Geplaatst 19 feb. 2011 05:52 door Historie van de Oceanografie Club   [ 18 nov. 2014 03:07 bijgewerkt ]
Michael S. Reidy, Tides of History. Ocean science and Her Majesty’s Navy (The University of Chicago Press, Chicago, 2008), 389 pp. ISBN 978-0-226-70932-1. US$ 40.


De rol van de Britse Royal Navy bij de opkomst van het wetenschappelijk zeeonderzoek in de 19e eeuw is ontegenzeggelijk van groot belang geweest: namen als de Beagle en de
Challenger zijn daarvan het bewijs. En een gedetailleerde studie van die rol is zeker van belang. Echter, hoewel de ondertitel van “Tides of History” zoiets zou doen verwachten, geeft Michael Reidy (assistant professor of history and philosophy aan de Montana State University), met dit boek niet zo’n studie. Het blijkt een aangepaste versie van zijn dissertatie “The Flux and Reflux of Science: The study of the Tides and the Organization of Early Victorian Science” uit 2000 aan de University of Minnesota. En het gaat dan ook in hoofdzaak over het Britse getijonderzoek uit de dertiger en veertiger jaren van de 19e eeuw. Het accent op de rol van de “Royal Navy” is er later aan toegevoegd, voornamelijk in een Introduction en een Conclusion. Dat geeft het boek iets onevenwichtigs, en een bespreking ervan moet daarom uiteenvallen in de bespreking van die twee elementen.

Om te beginnen dus de Britse rol, en meer in het bijzonder die van de marine, in het zeeonderzoek. De schrijver wijst in zijn inleiding, “The Littoral in Science and History” op het belang van de kustzone bij de economische ontwikkeling van Engeland na de Napoleontische oorlogen, en op het belang van een betere kennis van de getijden voor de toenemende scheepvaart in het groeiende “Empire”. Getijtafels uit die tijd werden gepubliceerd in almanakken van uitgevers die zich daarbij baseerden op van vader op zoon doorgegeven geheim gehouden rekenschema’s. Dat die tafels tekort schoten bleek meer en meer. En dat was de reden voor onderzoekers als William Whewell (1794-1866) en John William Lubbock (1803-1865) zich op dit probleem te richten. In het verloop van het onderzoek kregen zij actieve steun van admiraal Francis Beaufort (1774-1857) van het Hydrographic Office, en via hem van de Admiralty. Dat ziet Reidy als het begin van een toenemende betrokkenheid van de Royal Navy met het zeeonderzoek. In zijn afsluitend hoofdstuk van 23 bladzijden: “The Tides of the Empire” borduurt hij daarop voort, en stelt hij dat ook op andere terreinen dan het getijonderzoek de marine als drager van de Britse wereldmacht vaker de wetenschap inschakelde bij de studie van de oceanen. Echter in zo’n kort bestek komt hij niet verder dan een algemene beschouwing.

Vervolgens dan Reidy’s studie van het getijonderzoek. Dat draagt nog de kenmerken van de dissertatie. Er is een overvloed aan details die niet veel lezers zullen interesseren. In zes hoofdstukken beschrijft hij hoe vooral Lubbock en Whewell het getijonderzoek opnamen. Newton had de theoretische basis gelegd voor het begrijpen van invloed van maan en zon. Maar daarmee leek alles gezegd, en voor de praktijk van de getijverwachting kwam men daar niet veel mee verder. Het was Frankrijk dat op dit terrein de leiding nam. Maar ook het theoretisch werk van Laplace (1749-1827) leek voor de praktijk weinig uit te maken.

De stichting in 1826 van de “Society for the Diffusion of Useful Knowledge” bracht daarin verandering. De door de stichting uitgegeven British Almanac bevatte een getijtafel voor  Londen, nog gebaseerd op de oude methode van de privé almanakken, en dus nog van  onvoldoende kwaliteit. Beaufort (toen nog Captain) adviseerde een meer wetenschappelijke aanpak, en dat bracht eerst Lubbock en daarna Whewell in beeld.

Over de methode van analyse van Lubbock voor een lange reeks waarnemingen, eerst van London Docks en later ook van andere plaatsen, geeft Reidy weinig bijzonderheden. Een methode overigens die tot in de vorige eeuw werd gehanteerd naast de fysisch bevredigender harmonische analyse. De schrijver gaat het meer over de manier waarop hij zijn werk organiseerde: het verkrijgen van nodige waarnemingen, de hulp van rekenaars, die met dit werk soms maanden bezig waren; en over de financiële problemen om het werk te laten uitvoeren.

Terwijl Lubbock streefde naar een betrouwbare methodiek voor de verschillende havens was Whewell meer geïnteresseerd in het regionale beeld: de manier waarop het getij zich door de zee verplaatste. Vooral de beschrijving van dit onderzoekprogramma is interessant. Op kaarten met “cotidal lines” probeerde Whewell een ruimtelijk beeld te ontwerpen. In dat verband is interessant hoe hij, met medewerking van Beaufort, voor een periode van 14 dagen gelijktijdige getijwaarnemingen organiseerde, eerst in 1834 rond de Britse kust en in 1835 als een internationale onderneming. Niet alleen landen rond de Noordzee, maar ook aan weerszijden van de Atlantische Oceaan namen aan deze laatste onderneming deel. Voor Nederland werd de bijdrage gecoördineerd door de Utrechtse hoogleraar Gerrit Moll (1785-1838). Een resultaat hiervan was de ontdekking van de amphidromie (een soort knooppunt van de rondlopende getijgolf) in de zuidelijke Noordzee. Het is vooral dit gedeelte dat voor de geschiedenis van het zeeonderzoek interessante informatie biedt.

Maar ook voor de wetenschapsgeschiedenis in het algemeen hebben deze hoofdstukken wat te bieden. Whewell is immers bekend door zijn “History of the Inductive Sciences” (1837) en zijn “Philosophy of the Inductive Sciences” (1840), geschreven tijdens zijn getijonderzoek. Reidy behandelt de wisselwerking tussen zijn praktisch onderzoek en de filosofische ideeën zoals die ook tot uiting komen in zijn opvattingen over de plaats van de “scientist” (een term door hem geïntroduceerd) tegenover de waarnemers en de technici.

Tides of History is dus verschillend te beoordelen. Het biedt niet wat de titel suggereert en er zijn gedeeltes die zo in detail gaan dat ze uitnodigen tot diagonaal lezen, terwijl andere een boeiend beeld geven van de Britse wetenschap in de eerste helft van de 19e eeuw. Het is overigens uitgegeven als een boek voor een breed publiek: aantrekkelijk verzorgd met illustraties uit de originele publicaties en andere stukken.

Leo Otto.
Comments