HOCdocs‎ > ‎Methods‎ > ‎

Geschiedenis geologische kartering Noordzeebodem

Geplaatst 10 apr. 2011 03:25 door Historie van de Oceanografie Club   [ 2 nov. 2011 02:21 bijgewerkt ]
De behoefte aan geologische gegevens tengevolge van de toenemende infrastructurele werken in het Nederlands deel van de Noordzee, waren voor de Rijks Geologische Dienst aanleiding tot de oprichting van een afdeling Noordzee. In samenwerking met Rijkswaterstaat Directie Noordzee is sinds het begin jaren zeventig tot 2003 gezamenlijk bodemonderzoek uitgevoerd in het Nederlands deel van de Noordzee.

De oudste kaart van de bodem van de belangrijkste wereldzeeën dateert uit 1872 en is van M. Delesse. De samenstelling van de zuidelijke Noordzeebodem is hierop aangegeven als zand met hier en daar wat grind. Dankzij een bodembemonsteringsprogramma van de Duitse marine zijn door de Duitse onderzoekers Fr. E. Schulze (1873), Orth (1875), A. Schmidt (1875) en C.W. von Gümbel (1875) studies naar de opbouw van Noordzeebodem uitgevoerd. In 1883 publiceerde de Britse onderzoeker O.T. Olsen de ‘Piscatorial Atlas of the North Sea, English and George’s Channels’ met een bodemkaart van de Noordzee waarop slib, zand en grindvoorkomens en een gebied van ca. 20.000 km2 met oesterbanken in het gebied dat op de zeekaarten wordt aangeduid als de Oestergronden.

In 1911 publiceerde J.J. Tesch van het RIVO, ten behoeve van de visserij, een bodemkaart van de Noordzee aan de hand van de data van de vernieuwde bodemkaart van O.T. Olsen uit 1908 en de bodemdata verzameld door de Duitse marine. In 1923 publiceerde J.O. Borley eveneens ten behoeve van de visserij een bodemkaart van de zuidelijke Noordzee. Tussen 1928 en 1933 voerde W. Wetzel een onderzoek uit naar de sedimentpetrologie van de Noordzeebodem. In 1936 promoveerde de Nederlandse geoloog J.A. Baak op een sedimentpetrologische studie van het Noordzeebodemsediment aan de hand van bodemmonsters genomen door het MS Oceaan van Rijkswaterstaat en monsters van J.O. Borley verzameld tussen 1904 en 1908 met het SS Huxley. Baak kon aan de hand van zijn studie de herkomst van het sediment in vijf groepen indelen: Hollandgroep, omgewerkt Pleistoceen zand (Rijn en Scandinavisch glaciaal); A-groep: vermoedelijk Scandinavische herkomst; English-groep: Brits glaciaal materiaal uit het Weichselien; Noord Hinder-groep: vergelijkbaar met recent Rijnzand, afgezet tijdens het Weichselien en Tertiair en ouder. Tenslotte publiceerde de Duitse onderzoeker K. Lüders in 1939 eveneens een kaart van de Noordzeebodem aan de hand van de bestaande data.

Tot dan toe betroffen de kaarten de samenstelling van het sediment dat zich aan het zeebodemoppervlak bevond. In 1942 bracht de geoloog P. Tesch, directeur van de Geologische Dienst en broer van J.J. Tesch daar verandering in. Hij publiceerde een reeks kaarten van de Noordzee met de kustlijnen van respectievelijk ca. 5,3, 2,6 miljoen, 410.000 en 130.000 jaar geleden en de ijsbedekkingen in de Noordzee van ca. 475.000, 150.000 en 15.000 jaar geleden. De begrenzingen op de kaarten van Tesch, die hij maakte aan de hand van gegevens op het land, komen in grote lijnen overeen met de huidige kaarten.

In 1951 publiceerde de Duitse onderzoeker O. Pratje een kaart met de grenzen van het landijs van de laatste twee ijstijden aan de hand van de bestaande gegevens en die van een aanvullende monstername. De Duitse onderzoeker H. Valentin publiceerde in 1955 eveneens een kaart met de grenzen van de landijsbedekkingen in de Noordzee. Een gedetailleerde, vrijwel de gehele Noordzee bedekkende oppervlaktesedimentenkaart is in 1956 gepubliceerd door de Duitse onderzoeker J. Jarke op basis van alle bestaande gegevens en 3.000 aanvullende bodemmonsters.

De eerste kaarten van het Nederlands Continentaal Plat (NCP) waarop de lagen staan weergegeven die onder de jongste afzettingen voorkomen, zijn door E. Oele van de RGD in twee delen (1969 en 1971) gepubliceerd. In 1979 publiceerde R.T.E. Schüttenhelm van de RGD een kaartje van het NCP met de oppervlaktesedimenten. In 1981 publiceerde de Duitse geoloog K. Figge een oppervlaktesedimententenkaart van het gehele Duitse deel van de Noordzee met een overlap met de Nederlandse en Deense delen.

In het kader van deze toenemende vraag is in 1982 een geologische overzichtskartering van het NCP op schaal van 1:250.000 gestart in samenwerking met de Britse geologische dienst. Hierbij werd uitgegaan van dezelfde classificatie van de sedimenten, lithostratigrafie en kaartprojectie. Ook het Belgische deel van de Noordzee is in deze kartering meegenomen. De Duitse, Deense en Noorse delen werden in die tijd nog niet gekarteerd of op een afwijkende wijze.

In de jaren 1984 tot 1995 verschenen de kaarten in drie bladen met respectievelijk de oppervlaktesedimenten, de lagen aan de bovenkant van het Pleistoceen en de lagen ouder dan Kwartair. Deze kaarten zijn beschikbaar zowel in gedrukte vorm als digitaal. Naast de kartering op schaal 1:250.000 is, sinds 1986, gewerkt aan gedetailleerde kaarten van het kustgebied op schaal 1:100.000. Deze kaarten zijn deels gedrukt en deels alleen digitaal beschikbaar.

Aan de hand van alle beschikbare data worden momenteel door de TNO-Bouw & Ondergrond (waarin de vroegere Rijks Geologische Dienst is opgegaan) digitale modellen gemaakt van de ondergrond van de Noordzeebodem. Met behulp van door de Dienst der Hydrografie van de Koninklijke Marine beschikbaar gestelde lodingskaarten en side scan sonar registraties, zijn gedetailleerde morfologische kaarten van de zeebodem gemaakt. Sinds 1990 is de satellietpositiebepaling zeer nauwkeurig waardoor het mogelijk is om opnamen uit verschillende jaren met elkaar te vergelijken en aan de hand van waargenomen verschuivingen van bodemvormen, zoals zandgolven, de verplaatsingssnelheid en richting hiervan te berekenen. Voor de kust van Hoek van Holland is de verplaatsingsnelheid van zandgolven in noordelijk richting bijvoorbeeld 3 m, bij IJmuiden 10 m en bij Texel 18 m per jaar. Met behulp van de oppervlaktesedimentenkaarten, de morfologie en de dynamiek van de zeebodem kunnen in samenwerking met de ecologen habitatkaarten worden gemaakt.

In een door de EU gefinancierd project is tussen 1998 en 2005 door de geologische diensten van aan de aan zee grenzende landen van de EU een databank gemaakt waarin alle door deze diensten verzamelde geologische gegevens zoals boringen, seismische gegevens en geologische kaarten kunnen worden opgevraagd (EUSEASED. net). Sinds 2010 wordt eveneens in een door de EU gefinancierd project gewerkt aan de toepassing van dezelfde sedimentclassificatie, lithostratigrafie en projectie van de geologische kaarten (EDMONET). Tot dan toe hanteerden verschillende landen een afwijkende standaard waardoor de kaarten niet konden worden aangesloten bij de kaarten van andere landen. In het een vervolg op EUSEASED is het EU-project GeoSeas in 2010 van start gegaan dat alle databanken van de geologische diensten moet gaan koppelen.
 
Cees Laban
Comments