HOCdocs‎ > ‎

Research ships

The texts provide a 'biography' of the research vessels considered.

Wodan

Geplaatst 10 apr. 2011 03:59 door Historie van de Oceanografie Club   [ 6 jan. 2014 08:39 bijgewerkt ]

 
[klik voor een groter beeld]

Basisgegevens:
Werf: Scheepswerf Leen Smit & Zn te Kinderdijk, in opdracht van de Stoomsleepdienst L. Smit & Co - Alblasserdam. Bouwnummer niet bekend.
Afmetingen: Lengte ca. 40 m; breedte (inclusief raderkasten) 7,25 m; diepgang leeg 2,10 m, volgeladen met kolen 2,40–2,70 m, 272 brt.
Voortstuwing: ‘Dubbel compound surface condenser radermachine’ met 4 cylinders werd aangedreven door twee ketels met elk vier vuren, vandaar de twee schoorstenen; de raderen van 4,80 m diameter werden aangedreven met 36 slagen per minuut. In 1905 werd het schip van nieuwe ketels voorzien die een snelheid van 9 knopen mogelijk maakten.
Bemanning: Niet bekend
In bedrijf: Als radersleepboot in 1883 te water gelaten en gebruikt voor sleepwerk in de Zuidhollandse zeegaten en op het station Hoek van Holland. Ook werd het schip als haringjager MA 115 gebruikt (L. Smit & Co was later gevestigd in Maassluis).

De Wodan werd van 1903 tot 1911 gehuurd voor 70 dagen per jaar door het Rijksinstituut voor Onderzoek der Zee te Den Helder voor onderzoekstochten op de Noordzee.
Het schip werd in 1926 uit de vaart genomen en in 1927 gesloopt.

Naam:
Wodan, vernoemd naar de Germaanse god van de wind. Ook als MA 115 in de vaart.

Achtergrond:
Bij de oprichting van de ICES (International Council for the Exploration of the Sea) waren de onderzoeksdoelen vastgesteld:  (1) Wanneer zit de vis waar en (2) hoeveel kan er zonder schade voor het bestand gevangen worden. Daartoe werd het zeegebied van de deelnemende landen onderling verdeeld, waarbij elk land het toegewezen gebied naar eigen inzicht, maar in elk geval vier maal per jaar moest bemonsteren; de zogenaamde  termijnvaarten (zie kaart) uit te voeren steeds in de eerste helft van de maanden februari, mei, augustus en november. In verschillende landen bijvoorbeeld Duitsland en Denemarken
werden voor dat doel speciale onderzoekschepen gebouwd, maar in Nederland besloot men liever een schip te huren. De vaartochten met de Wodan waren de Nederlandse invulling van het door de ICES opgestelde programma. De ICES afspraken waren in eerste instantie voor vijf jaar gemaakt en het is gemakkelijker een huurcontract te beeindigen dan voor een schip met bemanning een nieuwe eigenaar te zoeken.

In de Mededeelingen over Visscherij, 1903 beschrijft Redeke, de directeur van het Rijksinstituut het schip en de verbouwingen ten behoeve van het onderzoek: “Het hele middenschip bevatte de machinekamer met ketels en kolenhokken voor maximaal 75 ton kolen. Op het achterschip de Kajuit voor de kapitein, een hut voor de projectleider en een trossenruim. Op het voorschip logies voor de stuurman, machinisten en matrozen, een bergplaats voor instrumenten met twee kooien voor bedienden en helemaal voorin het stokersverblijf. Verschil moet er zijn”. Achter de brug werd een laboratorium gebouwd evenals twee extra éénpersoonshutten in het trossenruim. Ook enige davits, trommels en winders waren nodig. Het schip voldeed redelijk; een bezwaar was weinig dekruimte voor het hanteren der visnetten.

Voor elke tocht moest het schip opnieuw worden uitgerust. In een bijgebouwd dekhuis werd een laboratorium ingericht met lange tafels, ten dele met zink bekleed. Verder werden er bij de verschansing grote davids, trommels en winders aangebracht voor oceanigrafische onderzoekingen, en tevens twee zware ijzeren katrollen waarover de staalkabels liepen waaraan de ottertrawl bevestigd was.


Belangrijkste expedities:
De Nederlandse termijnvaarten kostten ongeveer 16 zeedagen per jaar om op de negen, later elf punten over de hele waterkolom de temperatuur te bepalen en watermonsters te nemen. Daarin werden aan de wal zoutgehalte en verschillende chemische bestanddelen bepaald en werd het plankton gedetermineerd en geteld. Op één van de punten werd 24 uur richting en stroomsnelheid van het water op verschillende dieptes gemeten met een Ekman stroommeter. Voor de uitwerking van die gegevens en voor positiebepalingen met de vereiste nauwkeurigheid ging een marineofficier mee, die op het Rijksinstituut was gedetacheerd.

De termijnvaarten werden in mei 1907 beeindigd; met de 19 uitgevoerde tochten dacht men voldoende nauwkeurig de gemiddelde toestand te kunnen beschrijven. De jaarlijkse huurperiode werd volgemaakt met vistochten (meestal zes). Die werden ook na 1907 voortgezet, zoveel mogelijk aangevuld met temperatuur en zoutgehalte bepalingen. Men was  op zoek naar relaties tussen vispopulaties en variaties in de toestand van de zee. Daarvoor  was de frequentie van de termijnvaarten altijd al ongeschikt geweest en de waarnemingen  werden nu ook op lichtschepen en op vaste routes van veerdiensten gedaan. Veel werk aan de hele levenscyclus van commercieele vissoorten kwam van de grond. Als voorbeeld de schol, die paait in het zuiden; de larven worden met de reststroom naar het noorden getransporteerd waar ze op tijd in de voedselrijke kinderkamers van de Waddenzee  aankomen.

In 1916 deed de Wodan nog een heel ander onderzoek: Het Nederlandse passagiersschip Tubantia was op de Noordzee vergaan, mogelijk getorpedeerd door een Duitse onderzeeboot. De Duitse autoriteiten ontkenden en de Wodan werd ingezet om met duikers klaarheid te brengen. Toen onderdelen van Duitse torpedo´s werden gevonden is schadevergoeding betaald.

Referenties:
  • Verslagen van de Staat der Nederlandsche zeevisscherijen, 1902-1911 Mededeelingen over Visscherij, 1903 ev.
  • de Groot, S.J., 1988. Een eeuw visserijonderzoek in Nederland 1888–1988. RIVO,  IJmuiden, 252 pp.
  • Jaarboek van het Rijksinstituut voor het Onderzoek der Zee 1903-1911.
Links:
Johan van Bennekom

Oceaan

Geplaatst 10 apr. 2011 03:55 door Historie van de Oceanografie Club   [ 2 nov. 2011 02:06 bijgewerkt ]


[klik voor een groter beeld]

Basisgegevens:

Werf: Gebouwd op scheepswerf ‘Gusto’ in Schiedam, Nederland
In 1928(?) hernoemd naar Oceaan. Begin 30er jaren verbouwd tot meetschip, uitgevoerd op de scheepswerf ‘Welgelegen’ te Harlingen.
Afmetingen: Lengte 38,3 m; breedte 7,4 m; diepgang 3.3-3.9 (op basis van Van Veen, 1938a); 329 BRT van 2,83 m3.
Voortstuwing:Stoommachine 750 pk; 10.5 knopen.
Bemanning: Niet bekend.
In bedrijf: Als ‘loodsboot nr 14’ in 1916 te water gelaten. In 1928 door Rederij Doeksen ingezet als stoomsleepboot/bergingsschip ‘Oceaan’. In de periode 1933–1935 werd de Oceaan regelmatig door Rijkswaterstaat gecharterd als opnemingsvaartuig.

Bij de mobilisatie i.v.m. de naderende wereldoorlog nam de Koninklijke Marine de Oceaan in gebruik en in mei 1940 werd het door de bemanning in het Bosgat bij Ameland tot zinken gebracht.

Naam:
Loodsboot nr 14, later (1928?) hernoemd naar stoomsleepboot ‘Oceaan’.

Achtergrond:
Het schip was oorspronkelijk op stapel gezet voor Engelse rekening als herstelbetaling voor een stoomsleepboot die in de eerste wereldoorlog verloren ging. In 1919 werd het schip via Bureau Wijsmuller verkocht aan het Loodswezen en in 1928 door Rederij Doeksen aangekocht ter versterking van de vloot bergingsschepen op de Noordzee. In die tijd was een machinevermogen van 750 pk eigenlijk te weinig voor bergings- en reddingswerk op de Noordzee. Want “wie het eerst komt, het eerst bergt”.

In de jaren 1933, 1934 en 1935 werd de stoomsleepboot Oceaan steeds voor enkele maanden door Rijkswaterstaat gecharterd van rederij Doeksen op Terschelling. Het werd gebruikt voor onderzoek op de Noordzee met name onder leiding van Ir J. van Veen voor zandbewegingen, uiteraard van belang voor de dynamiek van de kust. Om het aantal verschillende apparaten neer te kunnen laten en om de meetapparatuur op te kunnen stellen werd het schip uitgerust met vele davits en met een dekhuis op het achterschip.

 
[klik voor een groter beeld]

Belangrijkste expedities:
De onderzoekingen van Van Veen met de Oceaan waren baanbrekend voor die tijd. Zijn dissertatie kreeg het predikaat cum laude; volgens zijn biograaf was zijn naam daarmee definitief gevestigd. Van Veen publiceerde ook in de internationale literatuur. Het hier aangehaalde werk is een van de weinige publicaties van Nederlandse auteurs die geciteerd worden in het standaardwerk ‘The Oceans’ uit 1942. Met de kennis en inzichten van nu, is de conclusie dat geen zandtransport door het Nauw van Calais plaatsvindt niet algemeen geldig. Bij een flinke storm wordt meer zand verplaatst dan gedurende lange perioden met rustig weer. En met de Oceaan kon niet bij storm gemeten worden.

Referenties:
  • Boot, W.J.J., 1998. Schepen, Schelpen, Schuitengat; de scheepvaart om Terschelling en Vlieland van ‘Adsistent’ tot ‘Koegelwieck’. Van Wijnen, Franeker. 327 pp.
  • van der Ham, W., 2003. Meester van de zee; Johan van Veen, waterstaatsingenieur 1893– 1959. Balans, Amsterdam. 285 pp.
  • Sverdrup, H.U., M.W. Johnson en R.H. Fleming, 1942. The Oceans. Prentice-Hall, 1087 pp.
  • van Veen, J., 1938a. Onderzoekingen in de Hoofden in verband met de gesteldheid der Nederlandsche kust. Dissertatie Leiden.
  • Van Veen, J., 1938b. Water movements in the Straits of Dover. Journal du Conseil 13: 7-36.
Johan van Bennekom
 

Hr.Ms. Tydeman (A906)

Geplaatst 19 feb. 2011 03:48 door Historie van de Oceanografie Club   [ 2 nov. 2011 02:05 bijgewerkt ]

Basisgegevens:
Werf: Gebouwd op NV Scheepswerf & Machinefabriek ‘De Merwede’ in Hardinxveld-Giessendam, Nederland (bouw No. 612).

Afmetingen: Lengte 90,13 m; breedte 14,45 m; diepgang 4,80 m; waterverplaatsing 2977
ton.

Voortstuwing: Diesel-electrisch; dienstsnelheid 15 knopen.

Bemanning: 59 koppen; plaats voor 15 opstappers.
In totaal waren 19 marineofficieren commandant, waarvan 3 voor korte tijd waarnemer. Aanvankelijk wisselde dat elk jaar, later voerden ze twee jaar het commando.

In bedrijf: Op 18 december 1975 te water gelaten en in 1976 afgebouwd. Indienststelling 10 november 1976. Begin 1977 beschikbaar voor onderzoek; in 2004 uit de vaart.

Naam:
Hr.Ms. Tydeman is vernoemd naar Gustaaf Frederik Tydeman (1858-1939), commandant van Hr.Ms. Siboga tijdens de ‘Siboga Expeditie’ (1899-1900).


[klik voor een groter beeld]

Achtergrond:
Het marineschip Hr.Ms. Tydeman werd gebouwd met het doel zowel militair/hydrografisch als civiel onderzoek te dienen. In het overleg met de Commissie voor Zeeonderzoek en betrokken ministeries was afgesproken dat 30 % van de vaartijd beschikbaar zou zijn voor civiel wetenschappelijk onderzoek. Als geen sprake was van groot onderhoud of regelmatig optredende langdurige reparaties, varieerde het aantal zeedagen globaal tussen 130 en 190 per jaar, met andere woorden die civiele programma’s konden maximaal bijna 50 dagen duren. Dat was haalbaar in de noordoostelijke Atlantische oceaan, soms gespreid over een aantal jaren. De rest van de vaartijd had vooral een militair doel, zoals het uittesten van apparatuur in samenwerking met het Fysisch Laboratorium van de Rijksverdigingsorganisatie.

Ook werden elk jaar routinebezoeken gebracht aan buitenlandse havens, soms voor publicitaire doeleinden. Zoals in 1977 aan Monaco ter gelegenheid van de 11e Internationale
Hydrografische Conferentie en in 1998 aan Lissabon ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling ‘De toekomst van de oceanen’. Ook de deelname aan het internationale GINSEA programma, gecoördineerd door het SACLANT centrum in La Spezia valt in deze catergorie.

Vele instituten voerden civiel wetenschappelijke projecten uit.

Belangrijkste expedities:
Het CANCAP project (Canary island, Cape Verde island and Atlantic ocean Project) van het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie te Leiden werd gesplitst in 7 tochten van 1977 tot 1987.

Het NECTAR project (North Equatorial Current Trans Atlantic Research) van het NIOZ omvatte raaien dwars op de west Africaanse kust, in 1977, 1978 en 1982, in verschillende
seizoenen.

Aan het internationale JASIN (Joint Air Sea Interaction Project) nam het KNMI in 1978 deel. Het Instituut voor Taxonomische Zoölogie (ITZ, UVA) deed planktononderzoek in 1980, 1982 en 1983. Een project van het Vening Meinesz Laboratorium (VML) is vermeldenswaard omdat het schip voor 3 maanden vertrok.

Voor een project in 1987 van het NIOZ in de diepe wateren rond de Faroer en in de Rockall trog werd een zware diepzeelier voor CTD/Rosette bemonsteringen tot nabij de bodem aan boord geplaatst. Na enig onderzoek over de gevolgen voor de stabiliteit gaf de Commandant KTZ P.S. Ham hiervoor toestemming.

Regelmatig werd ook lodingswerk uitgevoerd, zowel voor diepwater routes in de Noordzee als voor opnames in de noordelijke Noordzee. In de loop der jaren werd daaraan steeds meer vaartijd besteed, na 1997 het overgrote deel.



Referenties:
  • Ronkes, F.H. (redactie), n.d. [1976]. Hr.Ms. Tydeman. Dienst der Hydrografie der Koninklijke Marine, n.p., pp. 91 + advertenties. Met ‘Algemeen scheepsplan (1:100)’.
  • Anon., [1974]. Herinneringsboek ‘Hr.Ms. Tydeman, A 906, 1975-2004’, n.p., pp. 57
Johan van Bennekom

.Kort historisch overzicht

Geplaatst 19 feb. 2011 03:46 door Historie van de Oceanografie Club   [ 18 nov. 2014 04:00 bijgewerkt ]

Het eerste onderzoekschip: de zeilschoener Willem Barents, maakte vanaf 1878 zeven tochten naar het Arctisch gebied. Al in 1877 kreeg het Zoölogisch Station de beschikking over de loodsschoener Flissingen 10 voor een kruistocht op de Noordzee. Door de oprichting van de ICES bouwden veel Europese landen schepen voor visserijonderzoek, in Nederland werd daarvoor de radersleepboot Wodan gehuurd. In 1891 kreeg het Zoölogisch Station de zeilvlet Het Congres en in 1933 de Max Weber. De expedities met de Marineschepen Siboga (1899–1900) en Willebrord Snellius (1929–1930), beide in de oost-Indonesische wateren, leverden spraakmakende resultaten op, evenals het zwaartekracht-onderzoek van Vening Meinesz aan boord van verschillende onderzeeërs zoals de O16, K XIII en K XVIII.

Na WO II kregen RIVO en NIOZ nieuwe schepen, respectievelijk Anthonie van Leeuwenhoek en Ephyra, maar voor onderzoek op de oceaan kon nog steeds incidenteel gebruik gemaakt worden van schepen van de Kon. Marine. Dat gaf de mogelijkheid voor nieuwe generaties oceanografen ervaring op te doen met onderzoek op de oceaan tijdens de projecten NAVADO (1964–1965), OCPS (1966, 1969) en CICAR (1970–1971) met de opnemingsvaartuigen Snellius en Luymes.

Die schepen waren aan vervanging toe en in 1963 benaderde de een jaar eerder opgerichte NCZ (Nederlandse Commissie voor Zeeonderzoek) het Ministerie van O&W met plannen voor een Nederlands schip voor oceaanonderzoek. De plannen werden welwillend ontvangen, maar het steeds toenemende eisenpakket leidde tot onacceptabele  overschrijding van het budget. Om uit deze impasse te geraken kwam de Marine met een plan voor een schip dat voor zo’n 20% van de vaartijd ingezet zou worden voor civiel wetenschappelijk onderzoek. Een bezwaar van die opzet was dat het onderzoek zich zou beperken tot de noordoostelijke Atlantische Oceaan. Eisma (NIOZ) en Colette (VML) ijverden voor een alternatief, charteren van vrachtschepen, die met lieren en laboratoria in containers zouden worden uitgerust. Daarvoor kwam geld beschikbaar en de in 1974 opgerichte ‘Commissie Vaarplan’ ging vaartijd toekennen. Na een proefperiode met de oceaanmijnenveger Onversaagd en de gecharterde Aegeon Expres kwam in 1977 de Tydeman in de vaart. Al in 1976 werd gecontaineriseerde oceanografie met de Tamara een succes, vanaf 1978 steeds verder uitgebouwd met de Tyro. Meer en meer konden analyses aan boord plaatsvinden en dat eiste speciale werkruimtes.

Op het NIOZ kwamen naast Waddenzee-onderzoek ook programma’s voor de Noordzee van de grond, waarvoor de Ephyra onvoldoende zeewaardig was. Eerst werd daarvoor de Willem Beukelsz van het RIVO gehuurd; in 1972 kwam de eigen Aurelia.
 
Johan van Bennekom
 

1-4 of 4