HOCdocs‎ > ‎Research ships‎ > ‎

Hr.Ms. Tydeman (A906)

Geplaatst 19 feb. 2011 03:48 door Historie van de Oceanografie Club   [ 2 nov. 2011 02:05 bijgewerkt ]
Basisgegevens:
Werf: Gebouwd op NV Scheepswerf & Machinefabriek ‘De Merwede’ in Hardinxveld-Giessendam, Nederland (bouw No. 612).

Afmetingen: Lengte 90,13 m; breedte 14,45 m; diepgang 4,80 m; waterverplaatsing 2977
ton.

Voortstuwing: Diesel-electrisch; dienstsnelheid 15 knopen.

Bemanning: 59 koppen; plaats voor 15 opstappers.
In totaal waren 19 marineofficieren commandant, waarvan 3 voor korte tijd waarnemer. Aanvankelijk wisselde dat elk jaar, later voerden ze twee jaar het commando.

In bedrijf: Op 18 december 1975 te water gelaten en in 1976 afgebouwd. Indienststelling 10 november 1976. Begin 1977 beschikbaar voor onderzoek; in 2004 uit de vaart.

Naam:
Hr.Ms. Tydeman is vernoemd naar Gustaaf Frederik Tydeman (1858-1939), commandant van Hr.Ms. Siboga tijdens de ‘Siboga Expeditie’ (1899-1900).


[klik voor een groter beeld]

Achtergrond:
Het marineschip Hr.Ms. Tydeman werd gebouwd met het doel zowel militair/hydrografisch als civiel onderzoek te dienen. In het overleg met de Commissie voor Zeeonderzoek en betrokken ministeries was afgesproken dat 30 % van de vaartijd beschikbaar zou zijn voor civiel wetenschappelijk onderzoek. Als geen sprake was van groot onderhoud of regelmatig optredende langdurige reparaties, varieerde het aantal zeedagen globaal tussen 130 en 190 per jaar, met andere woorden die civiele programma’s konden maximaal bijna 50 dagen duren. Dat was haalbaar in de noordoostelijke Atlantische oceaan, soms gespreid over een aantal jaren. De rest van de vaartijd had vooral een militair doel, zoals het uittesten van apparatuur in samenwerking met het Fysisch Laboratorium van de Rijksverdigingsorganisatie.

Ook werden elk jaar routinebezoeken gebracht aan buitenlandse havens, soms voor publicitaire doeleinden. Zoals in 1977 aan Monaco ter gelegenheid van de 11e Internationale
Hydrografische Conferentie en in 1998 aan Lissabon ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling ‘De toekomst van de oceanen’. Ook de deelname aan het internationale GINSEA programma, gecoördineerd door het SACLANT centrum in La Spezia valt in deze catergorie.

Vele instituten voerden civiel wetenschappelijke projecten uit.

Belangrijkste expedities:
Het CANCAP project (Canary island, Cape Verde island and Atlantic ocean Project) van het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie te Leiden werd gesplitst in 7 tochten van 1977 tot 1987.

Het NECTAR project (North Equatorial Current Trans Atlantic Research) van het NIOZ omvatte raaien dwars op de west Africaanse kust, in 1977, 1978 en 1982, in verschillende
seizoenen.

Aan het internationale JASIN (Joint Air Sea Interaction Project) nam het KNMI in 1978 deel. Het Instituut voor Taxonomische Zoölogie (ITZ, UVA) deed planktononderzoek in 1980, 1982 en 1983. Een project van het Vening Meinesz Laboratorium (VML) is vermeldenswaard omdat het schip voor 3 maanden vertrok.

Voor een project in 1987 van het NIOZ in de diepe wateren rond de Faroer en in de Rockall trog werd een zware diepzeelier voor CTD/Rosette bemonsteringen tot nabij de bodem aan boord geplaatst. Na enig onderzoek over de gevolgen voor de stabiliteit gaf de Commandant KTZ P.S. Ham hiervoor toestemming.

Regelmatig werd ook lodingswerk uitgevoerd, zowel voor diepwater routes in de Noordzee als voor opnames in de noordelijke Noordzee. In de loop der jaren werd daaraan steeds meer vaartijd besteed, na 1997 het overgrote deel.



Referenties:
  • Ronkes, F.H. (redactie), n.d. [1976]. Hr.Ms. Tydeman. Dienst der Hydrografie der Koninklijke Marine, n.p., pp. 91 + advertenties. Met ‘Algemeen scheepsplan (1:100)’.
  • Anon., [1974]. Herinneringsboek ‘Hr.Ms. Tydeman, A 906, 1975-2004’, n.p., pp. 57
Johan van Bennekom
Comments