HOCdocs‎ > ‎Research ships‎ > ‎

.Kort historisch overzicht

Geplaatst 19 feb. 2011 03:46 door Historie van de Oceanografie Club   [ 18 nov. 2014 04:00 bijgewerkt ]
Het eerste onderzoekschip: de zeilschoener Willem Barents, maakte vanaf 1878 zeven tochten naar het Arctisch gebied. Al in 1877 kreeg het Zoölogisch Station de beschikking over de loodsschoener Flissingen 10 voor een kruistocht op de Noordzee. Door de oprichting van de ICES bouwden veel Europese landen schepen voor visserijonderzoek, in Nederland werd daarvoor de radersleepboot Wodan gehuurd. In 1891 kreeg het Zoölogisch Station de zeilvlet Het Congres en in 1933 de Max Weber. De expedities met de Marineschepen Siboga (1899–1900) en Willebrord Snellius (1929–1930), beide in de oost-Indonesische wateren, leverden spraakmakende resultaten op, evenals het zwaartekracht-onderzoek van Vening Meinesz aan boord van verschillende onderzeeërs zoals de O16, K XIII en K XVIII.

Na WO II kregen RIVO en NIOZ nieuwe schepen, respectievelijk Anthonie van Leeuwenhoek en Ephyra, maar voor onderzoek op de oceaan kon nog steeds incidenteel gebruik gemaakt worden van schepen van de Kon. Marine. Dat gaf de mogelijkheid voor nieuwe generaties oceanografen ervaring op te doen met onderzoek op de oceaan tijdens de projecten NAVADO (1964–1965), OCPS (1966, 1969) en CICAR (1970–1971) met de opnemingsvaartuigen Snellius en Luymes.

Die schepen waren aan vervanging toe en in 1963 benaderde de een jaar eerder opgerichte NCZ (Nederlandse Commissie voor Zeeonderzoek) het Ministerie van O&W met plannen voor een Nederlands schip voor oceaanonderzoek. De plannen werden welwillend ontvangen, maar het steeds toenemende eisenpakket leidde tot onacceptabele  overschrijding van het budget. Om uit deze impasse te geraken kwam de Marine met een plan voor een schip dat voor zo’n 20% van de vaartijd ingezet zou worden voor civiel wetenschappelijk onderzoek. Een bezwaar van die opzet was dat het onderzoek zich zou beperken tot de noordoostelijke Atlantische Oceaan. Eisma (NIOZ) en Colette (VML) ijverden voor een alternatief, charteren van vrachtschepen, die met lieren en laboratoria in containers zouden worden uitgerust. Daarvoor kwam geld beschikbaar en de in 1974 opgerichte ‘Commissie Vaarplan’ ging vaartijd toekennen. Na een proefperiode met de oceaanmijnenveger Onversaagd en de gecharterde Aegeon Expres kwam in 1977 de Tydeman in de vaart. Al in 1976 werd gecontaineriseerde oceanografie met de Tamara een succes, vanaf 1978 steeds verder uitgebouwd met de Tyro. Meer en meer konden analyses aan boord plaatsvinden en dat eiste speciale werkruimtes.

Op het NIOZ kwamen naast Waddenzee-onderzoek ook programma’s voor de Noordzee van de grond, waarvoor de Ephyra onvoldoende zeewaardig was. Eerst werd daarvoor de Willem Beukelsz van het RIVO gehuurd; in 1972 kwam de eigen Aurelia.
 
Johan van Bennekom
 
Comments